2002. Een te grote mond bracht me 10 augustus
in Luik. Samen met 3500 andere fietsers begaf ik me op weg
naar Bastenaken om vervolgens terug te keren. Een prachtige
omgeving, redelijk fietssfeer, een perfecte organisatie en
een fantastische sfeer zorgden ervoor dat ik geen spijt
kreeg van die grote mond. Het was m'n eerste
Luik-Bastenaken-Luik, maar zeker niet m'n laatste.
Dat een hoop
koeienstront op de Cote d'Amermont me de kop zou kosten.
Zo'n twee kilometer na Stavelot werden we linksaf gestuurd.
En daar begon plotsklaps de weg te stijgen, met een
percentage van, naar ik schat, een 15, 16 procent. Ik kon
nog net op tijd terugschakelen naar het kleine blad, maar
zag daardoor de koeienstront over het hoofd. Mijn wiel gleed
weg en daar stond ik. Naast de fiets.
Overmoedig
Het begon
allemaal begin dit jaar. Ik vond dat ik maar eens serieus
moest gaan fietsten. Ik reed al een aantal jaar rondjes op
mijn oude Koga over de Noordhollandse dijken en had in 2000
zelfs meegedaan aan de Ronde van Noord-Holland. Het was m'n
eerste ervaring met het toerfietsen. De route van 100
kilometer vond ik toen redelijk zwaar.
Nu wilde ik meer en besloot de lat gelijk hoger te leggen.
In een overmoedige bui riep ik dat ik dit jaar
Luik-Bastenaken-Luik zou gaan fietsen. Wie wilde er mee? De
jongens met wie ik wel eens fietste, verklaarden me voor
gek. Aan de Ronde van Noord-Holland wilden ze nog wel
meedoen, maar Luik-Bastenaken-Luik was te veel gevraagd. Ik
vond dat ik niet meer terugkon, werd lid van Le Champion en
stapte in februari al op m'n fiets.
Vol ongeduld leefde ik toe naar de eerste tocht die ik zou
rijden; de Ronde van Noord-Holland en ditmaal natuurlijk de
160 kilometer. De avond voor de tocht werd ik opgebeld. Of
ik heb weerbericht had gezien? Dat had ik en het beloofde
weinig goeds. Het was voor m'n twee fietsmaten reden om niet
aan de start te verschijnen. Ik besloot door te zetten om te
concluderen dat de weersvoorspelling er niet ver naast zat.
Regen, wind en hagel moesten we trotseren om na 160
kilometer Oostzaan weer te bereiken. Vooral het stuk van
Bovenkarspel naar Avenhorn was zwaar, zo pal tegen de wind
in. Maar ondanks twee lekke banden in de laatste tien
kilometer, kwam ik nog voor drieën binnen en zag ik op m'n
kilometerteller dat ik een gemiddelde van ruim 27 kilometer
per uur had gereden.
Veluwse heuvels
De
Zevendorpentocht en de Leeghwater- en Lelytocht volgden. Het
ging steeds beter en in de laatste tocht haalde ik een voor
mijn doen ongewoon hoog gemiddelde van 32 kilometer per uur.
Ik werd optimistischer over mijn kansen om
Luik-Bastenaken-Luik uit te rijden. Maar, twee weken later
werd ik met m'n neus op de feiten gedrukt. Op 22 juni
wisselde ik het Noordhollandse platteland in voor de Veluwse
en Utrechtse heuvels. In Wageningen reed ik de 200 kilometer
van de Jan Jansen Classic. Ik moest immers ook een keer over
heuvels fietsen. Al snel kwam ik er achter dat hard vooruit
fietsen iets heel anders is dan een berg op fietsen. Al bij
de eerste beklimming - die van de Grebbenberg - lag ik
hijgend over het stuur. Het ging in de loop van de dag
weliswaar beter, maar mijn conclusie stond vast: ik moest
nog flink wat trainen om soepel over de Ardenner heuvels te
fietsen.
Naast de fiets
Mijn vakantie
in Zuid-Limburg bleek wat dat betreft ideaal. Ik reed daar
vier keer een rondje van een kilometer of zeventig, waarbij
ik zware beklimmingen telkens afwisselde met wat lichtere
klimmetjes. Uiteindelijk nam ik de proef op de som en
besloot van Zuid-Limburg naar Remouchamps te fietsen. Ik
wilde die Redoute wel eens met eigen ogen zien voor ik aan
Luik-Bastenaken-Luik begon. Na zestig kilometer berg op,
berg af fietsen, stond ik dan eindelijk aan de voet van de
Redoute. Ik klom naar boven en zei net tegen m'n zelf dat
het allemaal best wel meeviel. Maar de weg draaide, ging
plotsklaps stijl omhoog en ik stond ineens hijgend naast m'n
fiets. Na een minuutje vervolgde ik weliswaar mijn weg, maar
het was wel de eerste berg die ik niet in één keer haalde.
M'n angst voor Luik-Bastenaken-Luik nam verder toe. De maand
die me nog resteerde gebruikte ik voor een paar
intervaltrainingen en twee zware trainingen op de Posbank.
Los schoenplaatje
De aankomst
bij het Holiday Inn in Luik was bijzonder. Er heerste een
echte wielersfeer. Het enige nadeel was dat ik weliswaar
mijn fiets goed na had laten kijken, maar niet mijn
schoenen. En uitgerekend vlak voor Luik raakte het plaatje
van mijn rechterschoen los. Gelukkig konden we in de
materiaalwagen een passend schroefje vinden.
De volgende ochtend stond ik vijf voor zes aan de start.
Zenuwachtig, want nu moest ik mijn grote mond van begin dit
jaar waarmaken. Ik slaakte ook een zucht van verlichting
toen ik eindelijk kon rijden.
Het begin ging uitstekend. Ik reed een redelijk tempo en kon
in de klim van de Embourg goed meekomen. Maar de schrik kwam
na 24 kilometer toen ik bezig was met de klim van
Kin-Stoqueu. Die klim ging op zich wel, maar iedereen had me
verteld dat de eerste 160 kilometer wel meevielen en dat het
zware deel van de tocht pas met de beklimming van de Wanne
zou beginnen. Als dit een lichte aanloop was, hoe zwaar
moest het zware deel dan wel niet zijn?
Uiteindelijk bleken mijn raadgevers het toch bij het rechte
eind te hebben. Na de eerste controle bij Baraque de
Fraiture werd de tocht lichter en dat bleef zo tot de Wanne.
En eerlijk gezegd: ik had zo tegen die beklimming opgezien,
dat het eigenlijk wel meeviel. De klim was zwaar, maar te
doen. Datzelfde gold in feite ook voor de Cote de Amermont.
Zwaar en stijl in het begin, maar te doen… als je tenminste
de koeienstront weet te ontwijken.
Genieten
De angst
verdween en ik begon steeds meer te genieten van de tocht.
Ik kreeg meer oog voor de omgeving en maakte links en rechts
een praatje. Zo begon ik de klim van de Rosier. Die klim was
weliswaar erg lang, maar ook fantastisch mooi zo door het
bos. Bovendien kregen we aan de top ook nog eens de
gelegenheid de bidon met AA-drink te vullen. Een betere
plaats hadden ze daarvoor niet kunnen bedenken.
En toen de Redoute. Opnieuw stond ik aan de voet van de
beklimming, maar nu met 200 kilometer in mijn benen. Toch
wist ik zeker dat ik het zou halen... Maar helaas, op
hetzelfde punt als een maand eerder begaven m'n benen het.
Opnieuw moest ik afstappen, opnieuw moest ik een minuut
uitblazen om vervolgens het laatste gedeelte te fietsen. En
daar natuurlijk de heerlijke appel in ontvangst te nemen.
Douche
De regen kwam
intussen met bakken uit de lucht, maar het deerde me niet.
De laatste dertig kilometer van de tocht waren een "eitje".
Op een klein klimmetje na was het in feite een grote
afdeling naar Luik. Daar kwam ik uiteindelijk iets voor
vijven aan en zag op mijn kilometerteller dat ik een
gemiddelde van ruim 24,5 kilometer per uur had gereden. Ik
had het gehaald, met de douche als grootste beloning.
Tijdens de beklimming van Kin-Stoqueu had ik mezelf nog
verwenst vanwege de hoogmoed van begin dit jaar. Welke
malloot moest nu op z'n veertigste ineens gaan fietsen om
vervolgens te denken dat hij wel even Luik-Bastenaken-Luik
"doet". Ruim tweehonderd kilometer later wist ik dat ik het
had gehaald, zonder echt kapot te zitten. En met een voor de
hand liggende conclusie: de omgeving en de sfeer smaken naar
meer. Alleen moet ik de Redoute volgend jaar wel in een keer
halen. |