wielerklassieker verslag
Luik-Bastenaken-Luik , 235 kilometer |  Martin Gerritsen |
Hoogmoed komt voor de Redoute |  publ. 15 dec 2005  |
 

2002. Een te grote mond bracht me 10 augustus in Luik. Samen met 3500 andere fietsers begaf ik me op weg naar Bastenaken om vervolgens terug te keren. Een prachtige omgeving, redelijk fietssfeer, een perfecte organisatie en een fantastische sfeer zorgden ervoor dat ik geen spijt kreeg van die grote mond. Het was m'n eerste Luik-Bastenaken-Luik, maar zeker niet m'n laatste.

Dat een hoop koeienstront op de Cote d'Amermont me de kop zou kosten. Zo'n twee kilometer na Stavelot werden we linksaf gestuurd. En daar begon plotsklaps de weg te stijgen, met een percentage van, naar ik schat, een 15, 16 procent. Ik kon nog net op tijd terugschakelen naar het kleine blad, maar zag daardoor de koeienstront over het hoofd. Mijn wiel gleed weg en daar stond ik. Naast de fiets.

Overmoedig

Het begon allemaal begin dit jaar. Ik vond dat ik maar eens serieus moest gaan fietsten. Ik reed al een aantal jaar rondjes op mijn oude Koga over de Noordhollandse dijken en had in 2000 zelfs meegedaan aan de Ronde van Noord-Holland. Het was m'n eerste ervaring met het toerfietsen. De route van 100 kilometer vond ik toen redelijk zwaar.

Nu wilde ik meer en besloot de lat gelijk hoger te leggen. In een overmoedige bui riep ik dat ik dit jaar Luik-Bastenaken-Luik zou gaan fietsen. Wie wilde er mee? De jongens met wie ik wel eens fietste, verklaarden me voor gek. Aan de Ronde van Noord-Holland wilden ze nog wel meedoen, maar Luik-Bastenaken-Luik was te veel gevraagd. Ik vond dat ik niet meer terugkon, werd lid van Le Champion en stapte in februari al op m'n fiets.

Vol ongeduld leefde ik toe naar de eerste tocht die ik zou rijden; de Ronde van Noord-Holland en ditmaal natuurlijk de 160 kilometer. De avond voor de tocht werd ik opgebeld. Of ik heb weerbericht had gezien? Dat had ik en het beloofde weinig goeds. Het was voor m'n twee fietsmaten reden om niet aan de start te verschijnen. Ik besloot door te zetten om te concluderen dat de weersvoorspelling er niet ver naast zat. Regen, wind en hagel moesten we trotseren om na 160 kilometer Oostzaan weer te bereiken. Vooral het stuk van Bovenkarspel naar Avenhorn was zwaar, zo pal tegen de wind in. Maar ondanks twee lekke banden in de laatste tien kilometer, kwam ik nog voor drieën binnen en zag ik op m'n kilometerteller dat ik een gemiddelde van ruim 27 kilometer per uur had gereden.

Veluwse heuvels

De Zevendorpentocht en de Leeghwater- en Lelytocht volgden. Het ging steeds beter en in de laatste tocht haalde ik een voor mijn doen ongewoon hoog gemiddelde van 32 kilometer per uur. Ik werd optimistischer over mijn kansen om Luik-Bastenaken-Luik uit te rijden. Maar, twee weken later werd ik met m'n neus op de feiten gedrukt. Op 22 juni wisselde ik het Noordhollandse platteland in voor de Veluwse en Utrechtse heuvels. In Wageningen reed ik de 200 kilometer van de Jan Jansen Classic. Ik moest immers ook een keer over heuvels fietsen. Al snel kwam ik er achter dat hard vooruit fietsen iets heel anders is dan een berg op fietsen. Al bij de eerste beklimming - die van de Grebbenberg - lag ik hijgend over het stuur. Het ging in de loop van de dag weliswaar beter, maar mijn conclusie stond vast: ik moest nog flink wat trainen om soepel over de Ardenner heuvels te fietsen.

Naast de fiets

Mijn vakantie in Zuid-Limburg bleek wat dat betreft ideaal. Ik reed daar vier keer een rondje van een kilometer of zeventig, waarbij ik zware beklimmingen telkens afwisselde met wat lichtere klimmetjes. Uiteindelijk nam ik de proef op de som en besloot van Zuid-Limburg naar Remouchamps te fietsen. Ik wilde die Redoute wel eens met eigen ogen zien voor ik aan Luik-Bastenaken-Luik begon. Na zestig kilometer berg op, berg af fietsen, stond ik dan eindelijk aan de voet van de Redoute. Ik klom naar boven en zei net tegen m'n zelf dat het allemaal best wel meeviel. Maar de weg draaide, ging plotsklaps stijl omhoog en ik stond ineens hijgend naast m'n fiets. Na een minuutje vervolgde ik weliswaar mijn weg, maar het was wel de eerste berg die ik niet in één keer haalde. M'n angst voor Luik-Bastenaken-Luik nam verder toe. De maand die me nog resteerde gebruikte ik voor een paar intervaltrainingen en twee zware trainingen op de Posbank.

Los schoenplaatje

De aankomst bij het Holiday Inn in Luik was bijzonder. Er heerste een echte wielersfeer. Het enige nadeel was dat ik weliswaar mijn fiets goed na had laten kijken, maar niet mijn schoenen. En uitgerekend vlak voor Luik raakte het plaatje van mijn rechterschoen los. Gelukkig konden we in de materiaalwagen een passend schroefje vinden.

De volgende ochtend stond ik vijf voor zes aan de start. Zenuwachtig, want nu moest ik mijn grote mond van begin dit jaar waarmaken. Ik slaakte ook een zucht van verlichting toen ik eindelijk kon rijden.

Het begin ging uitstekend. Ik reed een redelijk tempo en kon in de klim van de Embourg goed meekomen. Maar de schrik kwam na 24 kilometer toen ik bezig was met de klim van Kin-Stoqueu. Die klim ging op zich wel, maar iedereen had me verteld dat de eerste 160 kilometer wel meevielen en dat het zware deel van de tocht pas met de beklimming van de Wanne zou beginnen. Als dit een lichte aanloop was, hoe zwaar moest het zware deel dan wel niet zijn?

Uiteindelijk bleken mijn raadgevers het toch bij het rechte eind te hebben. Na de eerste controle bij Baraque de Fraiture werd de tocht lichter en dat bleef zo tot de Wanne. En eerlijk gezegd: ik had zo tegen die beklimming opgezien, dat het eigenlijk wel meeviel. De klim was zwaar, maar te doen. Datzelfde gold in feite ook voor de Cote de Amermont. Zwaar en stijl in het begin, maar te doen… als je tenminste de koeienstront weet te ontwijken.

Genieten

De angst verdween en ik begon steeds meer te genieten van de tocht. Ik kreeg meer oog voor de omgeving en maakte links en rechts een praatje. Zo begon ik de klim van de Rosier. Die klim was weliswaar erg lang, maar ook fantastisch mooi zo door het bos. Bovendien kregen we aan de top ook nog eens de gelegenheid de bidon met AA-drink te vullen. Een betere plaats hadden ze daarvoor niet kunnen bedenken.

En toen de Redoute. Opnieuw stond ik aan de voet van de beklimming, maar nu met 200 kilometer in mijn benen. Toch wist ik zeker dat ik het zou halen... Maar helaas, op hetzelfde punt als een maand eerder begaven m'n benen het. Opnieuw moest ik afstappen, opnieuw moest ik een minuut uitblazen om vervolgens het laatste gedeelte te fietsen. En daar natuurlijk de heerlijke appel in ontvangst te nemen.

Douche

De regen kwam intussen met bakken uit de lucht, maar het deerde me niet. De laatste dertig kilometer van de tocht waren een "eitje". Op een klein klimmetje na was het in feite een grote afdeling naar Luik. Daar kwam ik uiteindelijk iets voor vijven aan en zag op mijn kilometerteller dat ik een gemiddelde van ruim 24,5 kilometer per uur had gereden. Ik had het gehaald, met de douche als grootste beloning.

Tijdens de beklimming van Kin-Stoqueu had ik mezelf nog verwenst vanwege de hoogmoed van begin dit jaar. Welke malloot moest nu op z'n veertigste ineens gaan fietsen om vervolgens te denken dat hij wel even Luik-Bastenaken-Luik "doet". Ruim tweehonderd kilometer later wist ik dat ik het had gehaald, zonder echt kapot te zitten. En met een voor de hand liggende conclusie: de omgeving en de sfeer smaken naar meer. Alleen moet ik de Redoute volgend jaar wel in een keer halen.